zondag 25 oktober 2020

Een volwassene zou tenminste 7 uur per nacht moeten slapen!

Het wetenschappelijke bewijs is duidelijk: slaap is essentieel voor een optimale gezondheid. Maar hoeveel slaap moeten volwassenen elke nacht krijgen?

Om deze vraag te beantwoorden, verzamelden de American Academy of Sleep Medicine en de Sleep Research Society in 2015 vooraanstaande slaapexperts. Deze beoordeelden duizenden gepubliceerde onderzoeken die de duur van slaap en de gezondheid van volwassen met elkaar in verband brachten en zij concludeerde het volgende:

Een volwassene moet regelmatig 7 of meer uur per nacht slapen om een ​​optimale gezondheid te bevorderen.

De gezondheid kan schade oplopen door regelmatig minder dan 7 uur te slapen krijgen. Het verhoogt het risico op onder meer:
- gewichtstoename en obesitas
- diabetes
- hoge bloeddruk
- hartziekte
- beroerte
- depressie
- verzwakt immuunsysteem
- verhoogd risico op overlijden
Bij minder dan 7 uur per nacht slaap, kunnen de menselijke prestaties nadelig worden beïnvloedt. Er is een verhoogd risico op fouten en ongelukken bij onvoldoende slaap.

Risico-inventarisatie
In sectoren waar in nachtdiensten gewerkt wordt zou het normaal moeten zijn dat "slaap van de werknemers" als risico geïnventariseerd wordt.

Bron: Sleep education

maandag 14 september 2020

Bioscopen en de Arbeidstijdenwet


   Voor wie geldt deze bijzondere regel

In de “oer” versie van het Atb was de regeling voor bioscopen ondergebracht in een paragraaf die ook van toepassing was op werk wat in in verband staat met podiumkunsten. Nu zijn er voor deze verschillende activiteiten aparte paragrafen. 

De regeling voor bioscopen geldt voor werknemers van 18 jaar of ouder die uitsluitend of in hoofdzaak als operateur of leerling operateur de filmapparatuur bedienen, of die namens de werkgever en in zijn plaats het bioscoopbedrijf uitoefenen, dat wil zeggen de bedrijfsleider. Het gaat dus niet om de ouvreuses, plaatsaanwijzers, kassabedienden, gardererobe- of horecapersoneel o.d.

  Knelpunten

De knelpunten werden enigszins vergelijkbaar geacht met die welke bij de podiumkunsten werden ervaren. De extra flexibiliteit is nodig vanwege de ongelijke verdeling van het werk over de week, hetgeen te wijten is aan de het moment van demontage en montage van de films en het maken van de filmplanning. Die piekmomenten zijn voor operateurs op andere dagen dan voor bedrijfsleiders. Er is is een bedrijfstijd van zo’n 12 uur voor de bioscopen. Diensten zouden verdeeld moeten worden over meerdere medewerkers om aan de normale regels van de ATW te voldoen. Hierdoor zou er, met name bij de kleinere bioscopen, geen voltijdsbanen meer overblijven voor de filmoperateur en de bedrijfsleider.

  Collectieve regeling

De knelpunten kunnen worden opgelost door gebruik te maken van de mogelijkheid om bij collectieve regeling af te spreken dat de dagelijkse en wekelijkse arbeidstijd wordt verlengd tot respectievelijk 12 uur per nachtdienst en 72 uur per week. Dan moet wel over een periode van 52 weken worden gecompenseerd tot gemiddeld 40 uur per week. 

Daarnaast mag worden afgesproken om 26 x in 52 weken 14 uur per nachtdienst te werken.

Probleem is echter dat de CAO voor het bioscoopbedrijf vervallen is. De werkgeversorganisatie NVBF heeft de CAO namelijk opgezegd per 1 juli 2017. Hoewel destijds is toegezegd dat er niet de intentie was om de arbeidsvoorwaarden te wijzigen ontbreekt natuurlijk wel de collectieve regeling als bedoeld in de ATW. Bioscoopbedrijven zullen zelf met hun OR of PVT een afspraak moeten maken over het gebruik maken van de genoemde uitzonderingen. Zie ook “Wat is een collectieve regeling in de Arbeidstijdenwet?”

  Dagelijkse rusttijd

Vanwege de mogelijkheid om diensten van 14 uur te werken wordt ook toegestaan om in plaats van 1x in 7 etmalen, 4x in 4 weken de normale dagelijkse rust van 11 uur in te korten tot tenminste 8 uur. 

  Arbeidstijd per (nacht)dienst, per week en gemiddeld

De arbeidstijd per dienst of nachtdienst mag 12 uur zijn en 26x in 52 weken mag dat zelfs 14 uur zijn. Per week mag maximaal 72 uur worden gewerkt en de gemiddelde arbeidstijd mag niet meer zijn dan 40 uur berekend over elke periode van 52 aaneengesloten weken. 

Bron § 5.15 ATB


maandag 17 augustus 2020

Lokale spoorwegen en de Arbeidstijdenwet, loze regeling?

  Voor wie geldt deze bijzondere regel

De regeling in § 5.13 Atb is ooit bedacht naar aanleiding van een verzoek van de HTM te Den Haag. Vanuit concurrentie overwegingen geldt de regeling voor het personeel wat werkt in spoorvoertuigen die vallen onder de zogenoemde lokale spoorwegen (art. 2 lid 1 Wet lokaal spoor) 

  Knelpunt

In de Atw is de regel opgenomen de werknemer, na het verrichten van een reeks van 3 of meer achtereenvolgende nachtdiensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 46 uur. In een bepaald rooster bij HTM volgde na 3 of 4 nachtdiensten nog een korte niet-nachtdienst wat dus in strijd was met de wet.

  Rust na een reeks nachtdiensten

De oplossing in het Atb is dat na een reeks van 3 of 4 nachtdiensten, die eindigen voor of op 02.00 uur, de verplichte rusttijd van 46 uur mag worden genoten na een daaropvolgende niet-nachtdienst met ten hoogste 6 uren arbeid, indien er tussen de laatste nachtdienst en de niet-nachtdienst 11 uren rust wordt genoten. 

  Collectieve regeling

Het toepassen van deze uitzondering is uitsluitend mogelijk bij collectieve regeling.

In de CAO HTM is heden ten dage opgenomen dat de rust na 3 of meer achtereenvolgende nachtdiensten ten minste 48 uren moet zijn. Dat zou dus toepassen van de Atb uitzondering onmogelijk maken maar wellicht is er een regeling afgesproken met de OR (niet te vinden). De CAO HTM, maar ook andere CAO’s in het (lokale) spoorvervoer, hebben geen link met de regeling in het Atb.

Het zou mij niet verbazen dat § 5.13 Atb inmiddels een loze regeling is geworden. 

Bron: § 5.13 Atb

maandag 10 augustus 2020

Audiovisuele producties en de Arbeidstijdenwet

  Voor wie geldt deze bijzondere regel

Voor de werkzaamheden die nodig zijn bij het maken en het uitzenden van audio-, visuele of audio-visuele producties en ook voor het werk wat daar direct mee te maken mag een van de ATW afwijkende regel worden toegepast voor de dagelijkse rusttijd.

  Knelpunten

In de audiovisuele bedrijfstak bleken organisatorische problemen te hebben met de normale Atw bepalingen voor de dagelijkse rust. Bij bepaalde producties, zoals het opnemen van een serie programma’s, wordt in het productieproces gewerkt in drie zones van 4 uur, telkens onderbroken door een pauze van een uur. Daardoor wordt de totale diensttijd 14 uur, waardoor de minimale dagelijkse rust van 11 uur niet haalbaar is. Kortere pauzes zou dit probleem kunnen oplossen maar zowel werkgevers- als werknemersorganisaties geven de voorkeur aan een inkorting van de dagelijkse rust met 1 uur.
Omdat dit soort producties in een aantal periodes per jaar gemaakt worden, per keer drie à vier dagen duren en worden afgewisseld door kortere producties en roostervrije dagen voor de werknemers geeft de Atw wèl voldoende mogelijkheden voor de 12 uur arbeid per dienst.

  Dagelijkse rusttijd

In plaats van de in de Atw geregelde ingekorte aaneengesloten dagelijkse rusttijd van 8 uur in 24 uur mag de inkorting van de rusttijd van 11 uur 12x in 4 weken 10 uur zijn. De periode van 24 uur start op het eerste tijdstip van de dag waarop de werknemer met zijn arbeid begint. De voorwaarde is wel dat die werknemers in elke periode van 52 weken niet meer dan gemiddeld 40 uren per week werken.

Nogmaals: De Inkorting van de dagelijkse rust tot 8 uur is bij deze toepassing niet meer toegestaan!

Deze regel mag alleen worden gebruikt door werknemers van 18 jaar of ouder. Zij mogen dan geen gebruik maken van de afwijkende regels in het Atb voor Bioscopen (§ 5.15) of Podiumkunsten (§ 5.16).

  Collectieve regeling

Het toepassen van deze uitzondering is uitsluitend mogelijk bij collectieve regeling.

In de CAO Omroeppersoneel en die van AT5 vinden we dan ookeen bepaling die gebruik van de regeling mogelijk maakt, te weten: “In afwijking van Arbeidstijdenwet gelden ten aanzien van de minimum rusttijden de volgende bepalingen:

In ieder tijdvak van 24 uur dient een onafgebroken rusttijd van tenminste 11 uur in acht te worden genomen. Twaalf maal in een periode van 4 weken mag dit worden ingekort tot een rusttijd van tenminste 10 uur;

In ….”


Bron: § 5.12 Atb

maandag 3 augustus 2020

Vrijwillige politie en de Arbeidstijdenwet

  Werken bij vrijwillige politie
Er zijn ongeveer 1600 politievrijwilligers in Nederland. Ze ondersteunen in uniform de beroeps agenten. Meestal doen zij dat in hun vrije tijd. Ze hebben vaak een volledige baan (tussen de 36 en de 40 uur) bij een andere werkgever (de hoofdbetrekking).
Het werk als vrijwilliger bestaat, naast de trainingen en opleiding, uit surveilleren op koopavond tot toezicht houden bij evenementen of meehelpen bij een verkeerscontrole. Maar er is ook inzet voor meer administratieve werkzaamheden.  Van vrijwilligers surveillance en handhaving wordt verwacht dat ze minimaal 240 uur per jaar voor de Politie inzetbaar zijn, maar gemiddeld werken politievrijwilligers zo’n 250 uur op jaarbasis, inclusief training en scholing. Het werkrooster wordt in overleg opgesteld.
De LOPV (vakgroep voor politievrijwilligers) geeft aan dat maximaal 576 uur per jaar gewerkt kan worden, uitgaande van een 36-urige werkweek in de hoofdbetrekking.

  Waarom valt werken bij vrijwillige politie onder de Atw?
Het werk bij de vrijwillige politie valt onder de Arbeidstijdenwet omdat de werknemer onder gezag arbeid verricht. De optelsom van het werk in de hoofdbetrekking en het werk voor de vrijwillige politie moet dus voldoen aan de normen van de Atw.
Gelet op het aantal uren dat op jaarbasis door werknemers voor de vrijwillige politie wordt gewerkt, is dit mogelijk omdat in het Atb enkele knelpunten zijn opgelost.

  Knelpunten
De inzet van de politievrijwilligers is niet gelijkmatig over alle weken van het jaar verspreid zijn .Er doen zich knelpunten voor door de tijden waarop de vrijwillige politie wordt ingezet, bijvoorbeeld:
alcoholcontroles en evenementen zijn vaak in het weekend en of de nacht;
incidentele inzet in de nachts leidt, normaal gesproken, tot een maximale gemiddelde arbeidstijd per week van 40 uur;
op vrijdag overdag werken in de hoofdbetrekking maakt inzet in diezelfde avond bij de vrijwillige politie, vanwege de normale dagelijkse rusttijdnorm, onmogelijk.

  Oplossingen in het Atb
In de MvT wordt gesteld dat bij het zoeken naar oplossingen rekening is gehouden met de verschillende belangen:
openbare orde en veiligheid;
de werkgever van de hoofdbetrekking;
veiligheid, gezondheid en welzijn van de werknemer en van derden.

Samenloop  
De normale regels voor samenloop in de Atw zijn op de Politievrijwilliger niet van toepassing. Hierdoor is het mogelijk om het werk bij de vrijwillige politie te combineren met een gewone baan. Het werk bij de vrijwillige politie, waarvoor afwijkingen van de Atw mogelijk is gemaakt, geldt voor om werknemers van 18 jaar of ouder als bedoeld in art. 2, onder c Politiewet 2012, dat wil zeggen “vrijwillige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak”.

Arbeids- en rusttijden
De normale regels voor de dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de arbeidstijd per nachtdienst gelden ten hoogste eenmaal in elke aaneengesloten periode van 7 x 24 uur niet. De werkgever moet er dan wel voor zorgen dat de werknemer in elke aaneengesloten periode van 7 x 24 uur:
hetzij een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 24 uur;
hetzij een rusttijd heeft van ten minste 11 uur in een aaneengesloten periode van 24 uur.
Het gaat hierbij dus om een keuze, het een óf het ander.
De afwijking van de wekelijkse rust onder a houdt in dat de werknemer die twee dagen vrij heeft van zijn hoofdbetrekking op één van die twee dagen voor de vrijwillige politie kan werken. Hij heeft dan in plaats van de wettelijke 36 uur rust, een aaneengesloten rust van ten minste 24 uur.
Omdat de onder b. genoemde rusttijd niet “onafgebroken” is kan de werknemer 12 uur werken in 24 uur en bijvoorbeeld na zijn dagwerk in zijn hoofdbetrekking nog ingezet worden voor de vrijwillige politie, maar ná zo’n dienst moet de werknemer een onafgebroken rusttijd hebben van ten minste 24 uur.
Zoals gebruikelijk vangt de periode van 24 uur waarbinnen de rusttijd genomen moet worden op het eerste tijdstip van de dag waarop het werk begint.

Collectieve regeling
Door afspraken in de Landelijke Arbeidstijden Regeling Politie kan bovenstaande regeling toegepast worden voor de vrijwillige Politie.

Niet voor ploegendienst
Wanneer men werkt in ploegendienst cq. men in de nacht pleegt te werken (16 of meer nachtdiensten in 16 weken) bij de hoofdwerkgever is het werken als politie vrijwilliger niet mogelijk. Dan geldt immers een maximum van gemiddeld 40 uur arbeid gerekend over 16 weken.
Omdat vrijwilligers bij de politie aanvullend en ondersteunend zijn op het gewone politiewerk zal een politievrijwilliger daaraan minder dan 16 nachtdiensten per 16 weken besteden. De beperking van de arbeidstijd tot gemiddeld 40 uur in het geval van nachtdiensten is dan niet van toepassing en de gemiddelde arbeidstijd per week kan maximaal 48 uur zijn.

Bron: § 5.11 Atb 

vrijdag 26 juni 2020

Afwijkende werktijden voor Tentoonstellingsbouw en Scheepsreparatie

  Waarom ruimere werktijdgrenzen nodig zijn
Voor de sector tentoonstellingsbouw geldt dat veel internationaal gewerkt wordt en er ook sprake is van internationale concurrentie. De doorlooptijd van opdrachten is kort en de beschikbare tijd voor de opbouw van een beurs is vaak ook zeer kort. Van werknemers wordt dan ook verwacht dat ze in een korte periode relatief veel uren maken. Door de korte opbouwtijden is het niet altijd mogelijk om de normale wekelijkse rust op te nemen en is de normale maximale arbeidstijd vaak te kort om het werk op tijd klaar te krijgen. Daarbij komt dat als de werknemers werken ze geen behoefte hebben aan de wekelijkse rust, maar het werk af willen maken en de rusttijd bij voorkeur thuis in Nederland willen nemen. De ruimere bepalingen gelden voor werk wat bestaat uit het ontwerpen, het opbouwen of het afbreken van tentoonstellingen en vergelijkbare werkzaamheden, zoals 
bijvoorbeeld tentenverhuurbedrijven.
Voor de sector scheepsreparatie gelden eveneens achtergronden van korte doorlooptijden, veel uren nodig in korte tijd door dezelfde specialistische werknemers. De ruimere bepalingen in deze sector gelden voor het herstellen van schepen.

  Alleen bij collectieve regeling
De afwijkende bepalingen mogen alleen worden toegepast bij collectieve regeling. In de CAO Tentoonstellingsbouw zijn de normen van de uitzondering opgenomen. 
De CAO Metalektro kent een ingewikkelder constructie. Om af te mogen wijken van de normale regels van de Atw is daarin opgenomen: “Het invoeren van een werktijdregeling die niet past binnen de normen van de Arbeidstijdenwet die gold tot 1 november 2007 en de op die wet gebaseerde Arbeidstijdenbesluiten, mag de werkgever alleen doen nadat de vakbonden daarmee hebben ingestemd”. Een scheepsreparatiebedrijf wat gebruik zou willen maken van de uitzonderingen, die na de wetswijziging van 2007 hetzelfde zijn gebleven, moet dus overleggen met de vakbonden.

  Wat is geoorloofd
  • Er mag meer worden gewerkt dan de normale 60 uur per week, namelijk 72 uur;
  • De dagelijkse rusttijd mag 4x in 4 weken worden ingekort tot tenminste 8 uur in plaats van de gebruikelijk 1x in 7 etmalen;
  • De gemiddelde arbeidsduur mag worden opgehoogd tot ten hoogste 45 uur per week berekend over elke periode van 52 aaneengesloten weken in plaats van de normale 48 uur berekend over 16 weken. Dit geldt natuurlijk alleen voor werkers die niet in nachtdienst plegen te werken;
  • De wekelijkse rust mag afwijken van de gebruikelijke 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7x 24 uur, of het alternatief van 72 uren in elke 14x 24 uur, die kan worden gesplitst in onafgebroken rustperioden van elk ten minste 32 uur. De wekelijkse rusttijd moet dan wel voldoen aan ten minste 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren of een vervangende rust van 60 uur in 14x 24 uur hetgeen maximaal 8x in 52 weken is toegestaan. Wanneer gebruik gemaakt wordt van deze mogelijkheid moeten gedurende de overige weken van die 52 weken de wekelijkse rust tenminste 36 uur te bedragen. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van de flexibiliteit die het normale wekelijkse rusttijd artikel van de Atw geeft.

Bron: MVT Staatsblad 1997 487, MVT Staatsblad 1997 487 en § 5.23 Atb

dinsdag 23 juni 2020

Waar liggen meetpunten voor wekelijkse rusttijden (Arbeidstijdenwet)?


  Wekelijkse rusttijd
De normale minimale wekelijkse onafgebroken rusttijd voor een werknemer van 18 jaar of ouder is tenminste 36 uur in elke aaneengesloten periode van 7 x 24 uur of 72 uur in elke aaneengesloten periode van 14 x 24 uur.
In deze case maakt de onderneming gebruik van de uitzondering in het ATB voor scheepsreparatiebedrijven.
Daarin staat dat de werknemer een onafgebroken rusttijd moet hebben van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7 x 24 uur, die ten hoogste 8 x in elke periode van 52 aaneengesloten weken mag worden vervangen door een onafgebroken rusttijd van ten minste 60 uur in een aaneengesloten periode van 14 x 24 uur.

  Ne bis in idem?
Het bedrijf krijgt een flinke boete opgelegd omdat in het boeterapport ieder begin van een dagelijkse dienst als een nieuw meetpunt is aangemerkt waardoor telkens een nieuwe periode van een week ofwel twee weken begint te lopen. Hierdoor leiden de te korte rusttijden tot meerdere overtredingen. De advocaat van het bedrijf vindt dit in strijd met het “ne bis in idem beginsel” en/of het evenredigheidsbeginsel, omdat het leidt tot een herhaalde boete voor eenzelfde te korte rusttijd.
Advocaat stelt dat, als het bedrijf achteraf vaststelt dat de onafgebroken rusttijd binnen een bepaalde periode onvoldoende is geweest, het per definitie geldt voor die gehele periode en elke dag daarbinnen. En, als een nieuwe overtreding direct na de voorafgaande periode kan worden voorkomen, kost dit minimaal 60 uren rusttijd. Dit betekent dat de overtreding in elk geval de eerste twee dagen van een nieuwe periode per definitie wordt voortgezet. Het bedrijf vindt het dan ook onredelijk om een overtreding die men in de eerstvolgende periode niet meer kan herstellen telkens als een nieuwe overtreding aan te merken. Niet ter discussie staat dat de wekelijkse rusttijd norm is overtreden maar hoe vaak er een overtreding is gemaakt.

  De redenatie van de advocaat wordt ontkracht
Namens het Ministerie wordt toegelicht hoe een overtreding van de wekelijkse rusttijd norm wordt vastgesteld:
  1. allereerst te constateren dat er in de periode van 7 x 24 uur vanaf het begin van de werkzaamheden minder dan 36 uur onafgebroken rust is genoten;
  2. en, als dat zo is, te constateren dat er in de 14 x 24 uur vanaf datzelfde beginpunt minder dan 60 uur onafgebroken rust is genoten;
  3. en, als dat zo  is,  te bepalen of er ook sprake is van een direct beboetbare overtreding door te controleren of er bovendien sprake is van het ontbreken van een rustperiode van minder dan 32 uur in deze periode van 14 x 24 uur.
Als de maximale onafgebroken rustperiode in de periode van 14 x 24 uur minder dan 32 uur bedraagt dan is er in de eerste 7 dagen per definitie ook minder dan 36 uur onafgebroken gerust.
In het boeterapport is te lezen dat bij het bedrijf in de beboete periodes de maximale genoten rusttijd in alle gevallen minder dan 18 uur en een kwartier was en dus te kort waren om aan de norm van 36 uur per 7 maal 24 uur te voldoen.
De periode van 14 x 24 uur waarin een ononderbroken rusttijd van 60 uur moet worden genoten, kan bovendien niet de normale gang van zaken zijn. Het gaat om een uitzondering, maximaal 8 maal per 52 weken.

  Hoe kon werkgever overtredingen voorkomen
De werkgever kan het weten wanneer er in 7 etmalen te weinig rust was. Dan is het nog mogelijk om te plannen dat er in de erop volgende 7 etmalen 60 uur onafgebroken rust zal zijn en is er geen overtreding! In de praktijk zijn twee vrije dagen veelal voldoende om die 60 uur rust te creëren. Als de werkgever dan minder dan 60 uur, maar ten minste 36 uur rust geeft (in de praktijk één werkdag), dan is er wel sprake van één overtreding maar dan is de volgende overtreding direct voorkomen.

  Wat zegt de rechter
De inspectie heeft terecht elk begin van een werkdag als een nieuw meetpunt voor een aaneengesloten periode gehanteerd. Daarbinnen moet de werkgever de werknemer immers de voorgeschreven minimale rusttijd te geven. Dat heeft werkgever niet gedaan en dus is er geen sprake van meerdere boetes voor hetzelfde feit. Er is geen sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel;
Voorts stelt de rechter ook, naast een afwijzende reactie op enkele andere punten namens de werkgever, dat er geen strijd is met de Europese Arbeidstijdenrichtlijn.

  Mijn conclusie
Gesteld kan worden dat de destijds bij Arbeidsinspectie de handhaving van de wekelijkse rusttijd hebben vormgegeven is sluitend. Conform de wet begint de periode van 7 of 14 etmalen waarbinnen de onafgebroken rusttijd moet zijn genomen, telkens op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer met zijn arbeid begint.
Een en ander is op deze blog al eerder uiteengezet in dit schema.

Overigens is nog maar de vraag of het bedrijf gebruik kon maken van de uitzondering voor de wekelijkse rusttijd in het Atb. Dit mag immers alleen bij collectieve regeling. De CAO Metalektro, waaronder een metaalverwerkend bedrijf valt, kent een ingewikkelde constructie. Om af te mogen wijken van de normale regels van de Atw is daarin opgenomen: “Het invoeren van een werktijdregeling die niet past binnen de normen van de Arbeidstijdenwet die gold tot 1 november 2007 en de op die wet gebaseerde Arbeidstijdenbesluiten, mag de werkgever alleen doen nadat de vakbonden daarmee hebben ingestemd”. Toen het onderhavige bedrijf gebruik wilde gaan maken van de uitzondering betreffende de wekelijkse rusttijden, had dus overleg moeten plaatsvinden met de vakbonden. Daarvan is, althans in de behandeling bij de rechtbank, niets gebleken. Wellicht dat het boeterapport daar wel melding over maakt, maar als dat niet zo is, dan had de normale wekelijkse rusttijdbepaling ten laste gelegd moeten worden.

Bron:
Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:2802 - Rechtbank Rotterdam, 20-03-2020 / ROT 18/5755